Vlaams Parlementslid Jan Laeremans (Vlaams Belang) wil af van het pamperbeleid op de schoolbanken. Hij vindt dat het onderwijs jongeren weerbaar moet maken in plaats van ze als watjes te behandelen.
Geen advertenties meer?
Ingelogde abonnees steunen niet alleen een van de enige kritische en onafhankelijke media, maar zien ook geen vervelende advertenties. Abonneer je snel en eenvoudig en krijg meteen toegang tot vele duizenden exclusieve artikelen!
Maak hieronder je keuze voor het gewenste abonnement:
Liever ook op papier? Bekijk alle abonnementen!
Het doorlopend abonnement wordt automatisch verlengd voor steeds één maand.
Liever ook op papier? Bekijk al onze abonnementen!
Steun het vrije woord met een online abonnement van 3 maanden via een eenmalige betaling.
Liever ook op papier? Bekijk al onze abonnementen!
Steun het vrije woord met een eenmalige betaling en je zit een jaar goed.
Log hieronder in om dit bericht volledig te lezen. Ben je al ingelogd, kijk dan op je account of je nog een actief abonnement hebt.
Laeremans nam recent deel aan een debat met de zesdejaars van de Sint-Donatusschool in Merchtem. Daarin uitte hij zijn ongenoegen over het “pamperbeleid” op school. “Je moet het leerlingen niet te gemakkelijk maken, maar hen net leren omgaan met tegenslagen”, argumenteert hij.
Dat begint volgens Laeremans al in de kleuterklas. “In vergelijking met vroeger leggen ouders veel te veel eieren onder hun kinderen”, hekelt hij. “Als ze iets niet kunnen of niet graag doen, moeten ze het niet doen. Dergelijk gepamper moeten we achterwege laten.”
Fysieke en mentale weerbaarheid
Het Vlaams Parlementslid verwacht dat het onderwijs leerlingen weerbaar maakt, zowel fysiek als mentaal. “Als een leerling een slechte toets heeft, moet hij of zij niet meteen depressief worden. Sommige leerkrachten gaan daar te gemakkelijk in mee”, aldus Laeremans.
“Leerlingen zijn geen kasplantjes”, vervolgt hij. “In hun latere beroepsleven zullen ze ook geconfronteerd worden met een slecht uitgevoerde taak of een ontevreden baas. Als je altijd maar meegaat in hun verdriet of gemopper, bereid je hen daar niet op voor.”
Toch vindt Laeremans het belangrijk dat leerlingen zich goed in hun vel voelen. Daarvoor kijkt hij in eerste instantie naar de (zorg)leerkrachten. Pas als de situatie ernstig is, moet volgens hem het CLB worden ingeschakeld.
Tot slot toont Laeremans zich ook een voorstander van meer aandacht voor fysieke weerbaarheid in de lessen lichamelijke opvoeding. “Het geweldsprobleem in de maatschappij zal alleen maar groter worden. In andere culturen worden problemen vaak met geweld opgelost”, besluit hij. “Je kan niet al je lessen aan fysieke weerbaarheid besteden, maar het is belangrijk dat leerlingen zich toch een beetje kunnen verdedigen. Ook wie bang is, krijgt slaag.”







Als tegenwicht voor gesubsidieerde bokslessen waaraan vooral Marokkanen con gusto deelnemen, is het voorstel van Laeremans meer dan zinnig.
Terecht want jeugd tot “watjes” opvoeden maakt hn niet weerbaar tegen latere (eventuele) tegenslagen in het alledaags leven en geenszins geschikt om het “Recht op Zelfverdedigng” ook fysiek weerbaar op te eisen.