Langs de kust van Hendaye (Frankrijk) tot de Noordkaap zijn op diverse plaatsen nog resten – sommige goed bewaard – te vinden van de zogenaamde Atlantikwall, een imposant netwerk van bunkers, geschutstellingen en verbindingsgangen, die het bezette Europa moest beschermen tegen een invasie van overzee. Het was het werk van de Organisation Todt (OT), een Duitse paramilitaire organisatie, vernoemd naar Fritz Todt, de oprichter ervan.
Geen advertenties meer?
Ingelogde abonnees steunen niet alleen een van de enige kritische en onafhankelijke media, maar zien ook geen vervelende advertenties. Abonneer je snel en eenvoudig en krijg meteen toegang tot vele duizenden exclusieve artikelen!
Maak hieronder je keuze voor het gewenste abonnement:
Liever ook op papier? Bekijk alle abonnementen!
Het doorlopend abonnement wordt automatisch verlengd voor steeds één maand.
Liever ook op papier? Bekijk al onze abonnementen!
Steun het vrije woord met een online abonnement van 3 maanden via een eenmalige betaling.
Liever ook op papier? Bekijk al onze abonnementen!
Steun het vrije woord met een eenmalige betaling en je zit een jaar goed.
Log hieronder in om dit bericht volledig te lezen. Ben je al ingelogd, kijk dan op je account of je nog een actief abonnement hebt.
Vaak was de OT als dusdanig bekend, zonder meer. Het is de verdienste van Frank Seberechts om er grondig onderzoek naar te hebben gedaan en ze te kaderen in de totaliteit van het naziregime. Hij lichtte ook de sluier op die jarenlang over de Belgische afdeling hing. Na zorgvuldig archiefonderzoek kon hij in kaart brengen hoe de OT en haar bewapende ‘Schutzkommando’ precies functioneerden, wie er precies bij betrokken was en welke rol deze organisatie speelde. En dat was toch niet min.
OT verder zonder Todt
De OT werd officieel in 1938 opgericht door ingenieur Fritz Todt en stond aanvankelijk in voor de bouw van ‘Autobahnen’ en de ‘Westwall’, beter bekend als de ‘Siegfriedlinie’. Todt ontwikkelde een nauwe samenwerking met privébedrijven, overheidsinstanties en de ‘Reichsabeitsdienst’, de overheidsorganisatie ten behoeve van werkverschaffing bij civiele, militaire en agrarische projecten. Later werden er ook nog de bouwafdelingen van de Wehrmacht aan toegevoegd. In 1940 wordt Todt benoemd tot minister van Bewapening en Munitie. Het dient gezegd dat hij meermaals pleitte bij Hitler om te onderhandelen met Stalin en de Amerikanen omdat hij meende dat Duitsland nooit zou kunnen optornen tegen het militaire en economische potentieel van dezen. Het kwam Hitler dan ook goed uit dat Todt tijdens een nachtelijke vlucht op 8 februari 1942 verongelukte. Rijksarchitect Albert Speer nam meteen zijn bevoegdheden over, ook al behield de organisatie haar naam.
De OT werkte vaak samen met (bouw)bedrijven, met wie een contract werd afgesloten. Deze streken behoorlijk wat geld op, net zoals aannemers, constructeurs, architecten en leveranciers die meedraaiden in dit gigantische staatsbedrijf.
Aantrekkelijk
De OT wierf in binnen- en buitenland arbeiders en technici aan, en beloofde hen niet alleen vaste werkgelegenheid, maar ook een goed loon, premies, kledij en zelfs sociale voorzieningen. Voor veel werklozen was dat een aantrekkelijke stap om hun gezinnen te onderhouden. Seberechts stelt dat het bij veel arbeiders die in dienst gingen in de eerste plaats om de interessante voorwaarden ging, dan wel om ideologische of idealistische motieven, zoals bij anderen die lid werden van politieke collaboratiebewegingen of naar het oostfront trokken.
Omdat de OT naarmate de krijgsverrichtingen vorderden onvoldoende vrijwillige arbeidskrachten had om de bouw- of de herstellingswerken (sporen, bruggen, stellingen,…) voor de gestelde data af te werken, werden uiteindelijk ook buitenlandse dwangarbeiders, krijgsgevangenen en joodse gevangenen uit concentratiekampen toegewezen.Zo werd in 1942 een arbeidsplicht – de zogenaamde ‘Arbeitseinsatz’– ingevoerd in de bezette gebieden om te komen werken voor de OT en in de oorlogsindustrie.
Deel van het raderwerk
In België werd in 1941 een eigen afdeling van de OT opgericht en stak de werving een tandje bij. Ondertussen waren al veel Belgische OT’ers aan het werk in Noord-Frankrijk, België, Nederland. Later zullen velen ook in Scandinavië, de Balkan, Griekenland, Italië en zelfs in Rusland tewerkgesteld worden. Naarmate de oorlog vorderde, zullen zij in het raderwerk van de (para)militaire organisatie terechtkomen en zal er van de mooie beloftes maar weinig overblijven. Het ‘Schutzkommando’ – dat diende voor de (gewapende) ordehandhaving en de bewaking van werven en konvooien – zal later ook ingezet worden tegen de aanvallen van partizanen in het oosten. Ook moest men bewakingsopdrachten in kampen van Russische krijgsgevangenen verrichten of als opzichters optreden bij de dwangarbeid van deze gevangenen, en later zelfs ook bij joodse gevangenen in concentratiekampen. Een aantal OT’ers ging zijn boekje hier zwaar te buiten.
Na de oorlog zal de OT als collaborerende beweging aangepakt worden en zal een groot deel van de vrijwillige OT’ers veroordeeld worden. Ook Belgische bedrijven die met de OT hadden samengewerkt, betaalden daarvoor een prijs. Tijdens de repressie werden in België 3.122 personen veroordeeld voor lidmaatschap of samenwerking met de OT. Acht kwamen voor het vuurpeloton, het gros kreeg een straf tussen 2 en 20 jaar hechtenis en sommigen werden vrijgesproken, bijvoorbeeld wegens een penibele gezinssituatie op het moment dat zij dienst namen.
Dit boek vult een leemte op in de geschiedschrijving over WOII. Dat ook het Belgische luik erg gedetailleerd in het licht kon gesteld worden, is een absoluut pluspunt.
Frank Seberechts, ‘Organisation Todt – Belgische collaborateurs en dwangarbeiders in dienst van de nazi’s’. Lannoo, 2026. 214 p., 27,99 euro. ISBN 9789401498074
Meer over de collaboratie









