Jules Destrée (Photonews)

Exclusief voor abonnees

“Sire, il n’y a pas de Belges”

Jan Huijbrechts

We zeggen en schrijven zondag 2 juni 1912: een dag waarop wetgevende verkiezingen werden gehouden. De verwachtingen waren hooggespannen. Na een rij van ononderbroken katholieke regeringen sinds 1884 maakte koning Albert I er in intieme kring geen geheim van dat hij een progressieve regering beoogde te vormen die geleid moest worden door de liberaal Paul Hymans.

Geen advertenties meer?

Ingelogde abonnees steunen niet alleen een van de enige kritische en onafhankelijke media, maar zien ook geen vervelende advertenties. Abonneer je snel en eenvoudig en krijg meteen toegang tot vele duizenden exclusieve artikelen!

Maak hieronder je keuze voor het gewenste abonnement:

Doorlopend abonnement

Maandelijks opzegbaar

€ 9,00

per maand

Eenmalig betalen

3 maanden PAL-abonnement

€ 27,00

per kwartaal

Geen gedoe

12 maanden PAL-abonnement

€ 108,00

per jaar

Liever ook op papier? Bekijk alle abonnementen!

Het doorlopend abonnement wordt automatisch verlengd voor steeds één maand.

Liever ook op papier? Bekijk al onze abonnementen!

Steun het vrije woord met een online abonnement van 3 maanden via een eenmalige betaling.

Liever ook op papier? Bekijk al onze abonnementen!

Steun het vrije woord met een eenmalige betaling en je zit een jaar goed.

Log hieronder in om dit bericht volledig te lezen. Ben je al ingelogd, kijk dan op je account of je nog een actief abonnement hebt.

De verkiezingszege ging echter – tot verrassing van velen – opnieuw naar de katholieke partij, waardoor de demissionaire katholieke regering De Broqueville I aan kon blijven en de socialisten en liberalen op de oppositiebanken bleven zitten. Eén van diegenen die zich moeilijk bij deze verkiezingsuitslag konden neerleggen was de Naamse socialistische volksvertegenwoordiger Jules Destrée. Deze politicus was naast een briljant jurist en Waalse regionalist ook – wat men vandaag de dag vaak ‘vergeet’ – een notoire antisemiet en rabiate Vlamingenhater.

Revue de Belgique

Destrée, die niet afkerig was van enige provocatie, meende dat het ogenblik was aangebroken om zijn frustratie te delen met wie hem wou lezen. Een paar weken na de verkiezingen zette hij zich aan zijn bureau en begon hij aan een pamflet te schrijven dat een schokgolf door Belgenland zou jagen. Hij publiceerde dit pamflet met de ronkende titel ‘Lettre au roi sur la séparation de la Wallonie et de la Flandre’ op 15 augustus 1912 – binnenkort precies 110 jaar geleden – in de Revue de Belgique.

De meest beruchte passage uit zijn brief aan de koning was wellicht volgende: “Er zijn geen Belgen, Sire. België is een politieke Staat, vrucht van de diplomatie. Het werd kunstmatig samengesteld, het heeft géén nationaliteit. Welk een tegenstelling tussen Vlaanderen en Wallonië! De aardbodem is verschillend, de mensen die deze streken bewonen zijn anders en hun zielen zijn zo verschillend als hun landschappen. Hun werkzaamheden is voor de een de landbouw, voor de ander de nijverheid. De Vlaming is langzaam, koppig, geduldig en ordelijk, de Waal is vlug, wispelturig en regelziek. De gevoeligheid is anders: wat de een geestdriftig maakt, laat de ander koud en wekt misschien zelfs afkeer op. (…) De Waal hoort toe aan de Latijnse beschaving en de Vlaming aan de Germaanse cultuur. Er zijn dus in België Walen en Vlamingen, er zijn géén Belgen…“

Kunstmatige ‘Belgische ziel’

Twintig pagina’s lang daagde Jules Destrée de jonge koning Albert uit om met hem mee te denken over wat het volgens de auteur concreet betekende om Waals te zijn in het België  van het Jaar onzes Here 1912. De geslepen Destrée, plaatste deze vraagstelling boven de partijpolitiek door te benadrukken dat de kwestie véél verder ging dan de partijen en hun belangen. Het vraagstuk oversteeg de partijpolitiek en de oplossing ervan diende het algemeen belang. Terecht merkte hij op dat België een kunstmatige politieke staat was en bijgevolg de facto ook geen nationaliteit had. De ‘Belgische ziel’ – een constructie die was verzonnen door Destrées oud-professor Henri Pirenne, een historicus met internationale faam – was dan ook volgens hem een fabeltje.

Hij achtte de fusie tussen Walen en Vlamingen niet langer wenselijk omdat Vlaanderen, dat vroeger onderdrukt was, nu volgens hem Wallonië in alle mogelijke opzichten bedreigde. Destrée somde daarbij tal van grieven op die in het Waalse landsgedeelte leefden: De onwil om het door verval bedreigde Waalse patrimonium – sleutel tot de Waalse identiteit – opnieuw naar waarde te schatten, de vrees te worden meegezogen door het demografische en dus electorale overwicht van Vlaanderen bij politieke keuzes die niet overeenstemmen met de gevoeligheden van het merendeel der Walen maar ook het potentiële verlies aan banen in de openbare dienst of het mogelijke gebrek aan financiële middelen passeerden de revue.

“Du jamais vu”

Na het afdraaien van deze schijnbaar ellenlange klaagzang, stelde Destrée de fundamentele vraag of België, bestaande uit de unie van twee onafhankelijke en vrije volkeren geen oneindig robuustere staat zou kunnen zijn dan een “Belgische waarvan de ene helft constant zou denken onderdrukt te worden door de andere helft”. Zijn analyse was  ‘du jamais vu’ en veroorzaakte heel wat ophef. Niet alleen in de gevestigde kringen, het Hof, Wallonië en Brussel maar vooral ook in Vlaanderen waar tal van flaminganten zich repten om een reeks van pamfletten Destrée van antwoord te dienen en de unitaire eenheid te bepleiten. Toeval of niet, maar veel van de flaminganten die zich in 1912 in het debat mengden zouden een paar jaar later tijdens de Duitse bezetting, wellicht als gevolg van voortschrijdend inzicht, in het activistische kamp belandden…

Zijn epistel kwam er niet zomaar. In maart 1912 had een belangrijk congres van de Waalse Beweging plaatsgevonden met Destrée als secretaris-generaal, waar de bakens waren uitgezet voor een meer radicale koers. Indertijd formuleerde men dit zo: “Het door het congres aangenomen principe zal als volgt luiden: de bestuurlijke scheiding van Wallonië en Vlaanderen, met het oog op de uitbreiding van zijn onafhankelijkheid ten opzichte van de centrale macht en de vrije uitbreiding van zijn eigen activiteit.”

Deze forse taal werd al in  oktober van datzelfde jaar omgezet in daden toen de Assemblée wallonne boven de doopvont werd gehouden. Deze Assemblée beschouwde zichzelf als een soort van Waals parlement ‘avant la lettre’ dat zich tot doel stelde alle Waalse parlementariërs evenals tien afgevaardigden van het arrondissement Brussel te verenigen om de Waalse eisen meer kracht bij te zetten.

Noord-Zuidtegenstelling

Destrée was lang niet de enige die de verkiezingen van 1912 met een door de Noord-Zuidtegenstelling gekleurde bril bekeek en analyseerde. In zijn ogen en die van zijn medestanders legde het numeriek dominante, katholieke Noorden zijn politieke keuzes op aan het Zuiden, dat getalsmatig in de minderheid en antiklerikaal was, zonder aanwijsbare hoop voor deze laatsten om deel te nemen aan het bestuur van de staat.

Dit perspectief van de minorisering van de politieke machten die in Wallonië in de meerderheid zijn, liberalen en socialisten, lag aan de basis van diverse eisen die gingen van autonomie naar federalisme via het – nog onduidelijke – concept van bestuurlijke scheiding. Precies deze vaagheid en onduidelijkheid deden uiteindelijk Destrée en zijn tegenstanders de das om.  Van de zijde van Franstalige Belgicisten – vooral dan in Brussel – regende het verwijten dat deze ideeën het Franstalige, unitaire België bedreigden, terwijl er binnen de Waalse Beweging zélf uiteindelijk ook geen voldoende draagvlak werd gevonden voor grotere autonomie…

PAL Nieuwsbrief

schrijf je gratis in

Blijf op de hoogte met onze dagelijkse nieuwsbrief

1 gedachte over ““Sire, il n’y a pas de Belges””

  1. Naast mijnheer Destrée, wordt ook zijn leermeester, de geschiedenis prof Pirenne venoemd. Deze laatste heeft de ‘Belgische, latijnsgerichte, geschiedenis’ geschreven die nu nog doorleeft in ons onderwijs en in de unitaire geschiedenis voorstelling. Dat de Waalse bevolkingen verlatijnst zijn, dat gaat niemand tegenspreken. Ons Keltisch volk leefde langs de Noordzee kust in een gebied begrenst door de waterscheidingsrug ( la créte des eaux) tussen het Zoome ( la Somme) en het Oise-Seine bekken. Dus van aan Dieppe (le profond) via Sint Kwinten (Sint Quentin) Kamerrijk en Valencijn, tot Bergen op Zoom en de Zeeuwse eilanden. Holland moest toen nog ingedijkt worden. De Keltische oorsprong van deze gebieden wordt door Pirenne uit de geschiedenis geweerd. Dat vanuit het gebied van kaap Grijsneus en kaap Witneus, de Kelten naar den Oever ( Dover) op het Britse eiland over staken, nu 5000 jaar geleden past ook niet in mr Pirenne zijn geschiedschrijving. Oud Engels is dan ook een afgeleide van het oude Diets vauit het land der Picten, Picardië.
    Onze mijnheer Pirenne is er ook in geslaagd de aanvoerder uit de eerste kruistocht Godfried van Boonen ( Boulogne) en latere eerste koning van Jerusalem in 1099, om te tornen tot een heerschap uit Bouillon. De beschreven gebieden langs de Noordzee werden te beginnen met de slag van Bouvinnes in 1278 stukje bij stukje aan de Franse kroon gehecht. In de 40tal aanvallen door Frankrijk gepleegd, zijn enkel de veldslagen van Kortrijk en van Waterloo de twee uitzonderingen.
    Daarom : de geannexeerde zuidelijke Nederlanden moeten terug herenigd worden met de Republiek en het graafschap Brabant, het hart van de Nederlanden en Overmaas, hoofdstad Aken, het hetogenwoud, Eupen en slot Limburg op de Vesder. Terug één land van Holland tot Dieppe.

Plaats een reactie

Delen