Op 11 februari zal het precies 150 jaar geleden zijn dat Edward Joris werd geboren. Edward wie?, hoor ik u al vragen… Vandaag is deze Antwerpenaar een vergeten voetnoot in geschiedenisboeken, maar ooit was hij wereldwijd bekend en vooral berucht als ‘terrorist’.
Geen advertenties meer?
Ingelogde abonnees steunen niet alleen een van de enige kritische en onafhankelijke media, maar zien ook geen vervelende advertenties. Abonneer je snel en eenvoudig en krijg meteen toegang tot vele duizenden exclusieve artikelen!
Maak hieronder je keuze voor het gewenste abonnement:
Liever ook op papier? Bekijk alle abonnementen!
Het doorlopend abonnement wordt automatisch verlengd voor steeds één maand.
Liever ook op papier? Bekijk al onze abonnementen!
Steun het vrije woord met een online abonnement van 3 maanden via een eenmalige betaling.
Liever ook op papier? Bekijk al onze abonnementen!
Steun het vrije woord met een eenmalige betaling en je zit een jaar goed.
Log hieronder in om dit bericht volledig te lezen. Ben je al ingelogd, kijk dan op je account of je nog een actief abonnement hebt.
Hij zag het levenslicht als enig kind in een bescheiden gezin in het volkse Sint-Andrieskwartier. Deze wijk stond bekend als de ‘Parochie van Miserie’ en dat ging zeker op voor de familie Joris die het niet breed had, zeker toen vader Joris kort na Edwards geboorte overleed. Wellicht was dit de reden waarom de nochtans leergierige Edward op zijn dertiende de school verliet om aan de slag gaan bij verschillende maritieme bedrijven.
Socialist en vakbondsman
Hij was al op jonge leeftijd geïnteresseerd in politiek en op zijn negentiende werd de inmiddels naar Borgerhout verhuisde Edward Joris secretaris van de lokale afdeling van de socialistische Belgische Werklieden Partij. Bovendien was hij ook als syndicalist de duivel-doet-al van de bediendenvakbond ‘l’Unitas’. Jong en radicaal voelde hij zich aangetrokken tot het anarchisme en frequenteerde hij met grote regelmaat de Kapel, het voormalige godshuis Van Lantschot in het Schipperskwartier.
“Jong en radicaal voelde hij zich aangetrokken tot het anarchisme”
Die Kapel bood onderdak aan een bonte groep avant-gardisten waartoe onder meer de schrijvers Emanuel De Bom, Lode Baekelmans, de kunsthistoricus Ary Delen en de liberale kunstliefhebbers de gebroeders Franck behoorden. Edward voelde zich als een vis in het water in dit artistieke en geëngageerde gezelschap. Hij raakte er bevriend met Baekelmans’ latere schoonbroer, de links-liberale flamingantische drukker-uitgever Richard Resseler die het met de Vlaamse Beweging sympathiserende anarchistische tijdschrift ‘Ontwaking’ uitgaf.
Edward Joris zou geregeld, tussen 1901 en 1904, onder de schuilnamen Edward Greene en Garabed, in ‘Ontwaking’ publiceren over de politieke spanningen in het Turks-Ottomaanse imperium. En dat was geen toeval, want hij had in 1901, op zoek naar nieuwe horizonten, avontuur en wellicht ook een betere verloning, het strand van Sint-Anneke en de Scheldeboorden ingeruild voor de Bosporus en Constantinopel.
Naaimachines
Hij kreeg een baantje als Engels- en Franstalige correspondent bij de Deutsche Levante Linie, maar op 14 augustus 1902 – nog geen maand nadat hij in Constantinopel was gehuwd met zijn Antwerpse verloofde Anna Nellens – vloog hij er aan de deur. Gelukkig voor het jonge paar vond hij snel werk en zijn draai in de Ottomaanse zetel van de Singer Company, de bekende naaimachinefabrikant. Het was in deze firma dat hij de Armeense nationalist Vramchabouh Kendirian ontmoette en betrokken raakte bij wat men toen als ‘de Armeense kwestie’ omschreef.
“Op het verhakkelde lichaam werd de reispas van Edward Joris gevonden”
Het immense Ottomaanse Rijk was een multireligieuze veelvolkerenstaat waarin de Armeniërs voor de Eerste Wereldoorlog een enigszins beschermde, maar duidelijk ondergeschikte positie bekleedden. Al naargelang het centrale gezag in Constantinopel aftakelde en de Armeense bevolkingsgroep aan economische macht en dus betekenis won, groeiden de spanningen tussen de christelijke Armeniërs en de islamitische Ottomanen. In het midden van de jaren 1890 hadden deze spanningen tot de Hamidiaanse massamoorden geleid. Slachtpartijen waren het, die werden vernoemd naar sultan Abdul Hamid II, die het panislamisme opnieuw als staatsideologie had ingevoerd. Hoewel de massamoorden voornamelijk gericht waren op de Armeniërs, ontaardden ze in sommige gevallen in willekeurige antichristelijke pogroms. Het geschatte aantal slachtoffers van de Hamidiaanse massamoorden varieert van 100.000 tot 300.000.
De verhalen van Vram Kendirian, die intussen Edwards beste vriend was geworden, maakten een diepe indruk op hem. Vram was een prominent lid van de ‘Dashnaktzutium’, de Armeense Revolutionaire Federatie (ARF). Deze organisatie had tijdens een congres in het Bulgaarse Sofia in 1904 beslist om de sultan te vermoorden. De man die deze opdracht tot een goed einde moest brengen, was Christapor Mikaelian, een van de oprichters van de ARF, die door Vram aan Edward Joris werd voorgesteld. Ze hadden weinig moeite om Joris er van te overtuigen dat alleen geweld de oplossing kon bieden voor de Armeense kwestie. Vram en Mikaelian kwamen in maart 1905 om het leven toen ze in Bulgarije experimenteerden met explosieven.
“De explosie kostte het leven aan 26 mensen”
Op het verhakkelde lichaam van Vram werd de reispas van Edward Joris gevonden, die door de mislukte terroristen was gebruikt om explosieven te smokkelen, maar de politie volgde – gelukkig voor Joris – dit spoor niet. De dood van Vram radicaliseerde Joris ontegensprekelijk. Hij verleende hand- en spandiensten aan het commando dat de sultan uit de weg moest ruimen. In zijn woning werd hierover niet alleen vergaderd, maar hij bood ook onderdak aan de samenzweerders en alsof dat nog niet belastend genoeg was, werd 140 kilogram springstof verpakt als Franse zeep in zijn woning verborgen.
Moordaanslag
Deze explosieven werden op 21 juli 1905 gebruikt in de moordaanslag op de sultan toen die, zoals elke vrijdag, op weg was voor het gebed naar de Yildiz Moskee. De explosie kostte het leven aan 26 mensen en er raakten 58 mensen zwaar verwond. De sultan kwam er met de schrik vanaf. De twee daders konden ontkomen en Joris’ vrouw wist onder te duiken in Zwitserland. Joris bleef echter in Constantinopel en dat brak hem zuur op, want een week later werd hij gearresteerd. Op 25 november 1905 ging het proces onder brede belangstelling van start en op 18 december werden Joris en drie Armeniërs ter dood veroordeeld. Ook zijn echtgenote werd bij verstek ter dood veroordeeld.
Dankzij een internationale solidariteitscampagne die was opgezet door Emanuel De Bom en Victor Resseler, en diplomatieke druk van onder meer de Belgische en de Duitse regering werd Joris op 22 december 1907, tegen alle verwachtingen in, vrijgelaten. Na zijn terugkeer in Antwerpen nam hij ’t Kersouwke’, de boekhandel en uitgeverij van Resseler aan de Sint Jacobsmarkt, over.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog speelde hij samen met Jef Van Extergem en Antoon Jacob een leidende rol in de socialistische vleugel van het activisme. Dit leverde hem na de oorlog vijf jaar hechtenis op, maar hij kon hieraan ontkomen door naar Nederland te vluchten. Na de Uitdovingswet keerde hij in 1929 terug en werkte hij bij de socialistische Arbeiders Radio Omroep. Het is niet duidelijk of zijn werk als publiciteitsdirecteur bij de collaborerende Antwerpse krant ‘De Dag’ hem na WO II opnieuw in de problemen bracht. Edward Joris overleed op 20 december 1957 in Antwerpen.
Meer geschiedenis






