In de rubriek Lezersbrieven van ’t Pallieterke van vorige week stelt Karel Driessens uit Wuustwezel drie vragen over mijn eerder verschenen column ‘Helden en Verraders’.
Geen advertenties meer?
Ingelogde abonnees steunen niet alleen een van de enige kritische en onafhankelijke media, maar zien ook geen vervelende advertenties. Abonneer je snel en eenvoudig en krijg meteen toegang tot vele duizenden exclusieve artikelen!
Maak hieronder je keuze voor het gewenste abonnement:
Liever ook op papier? Bekijk alle abonnementen!
Het doorlopend abonnement wordt automatisch verlengd voor steeds één maand.
Liever ook op papier? Bekijk al onze abonnementen!
Steun het vrije woord met een online abonnement van 3 maanden via een eenmalige betaling.
Liever ook op papier? Bekijk al onze abonnementen!
Steun het vrije woord met een eenmalige betaling en je zit een jaar goed.
Log hieronder in om dit bericht volledig te lezen. Ben je al ingelogd, kijk dan op je account of je nog een actief abonnement hebt.
De heer Driessens vraagt zich eerst en vooral af waarom ik mijn eigen verhaal niet heb vermeld in mijn bijdrage. Het antwoord is eenvoudig: omdat ik vind dat ik als kleine garnaal niet thuis hoor in een lijstje dat bestaat uit historische figuren als Benedict Arnold, Michael Collins, Philippe Pétain of Claus von Stauffenberg. De lezer zal het mij hopelijk ook niet ten kwade duiden dat ik mezelf niet wil associëren met Ephialtes, Judas Iskariot of – godbetert – Jane Fonda.
De tweede vraag heeft een wat scherpere ondertoon: of ik bij mijn overstap van het Vlaams Belang naar de N-VA gedreven werd door idealisme dan wel of ik toen al op een schepenambt mikte? Het is de vraag naar de dertig zilverlingen. Laten we niet flauw doen: ook in de politiek vind je platte opportunisten. Het is echter een vorm van intellectuele luiheid om alle politiek geëngageerde mensen over deze kam te scheren. Als financieel gewin mijn persoonlijke drijfveer zou geweest zijn, heb ik wel heel slecht onderhandeld.
Niet te voorspellen
Op de lijst voor het Vlaams Parlement ruilde ik dan een zekere plaats als lijsttrekker bij het Vlaams Belang in voor een veel minder zekere vijfde plaats bij de N-VA. Niemand kon me overigens beloven of ik na de gemeenteraadsverkiezingen schepen in Aalst kon worden. Dat soort zaken hangt af van veel factoren, zoals het resultaat van de verschillende lijsten, de persoonlijke voorkeurstemmen, de coalitie die gevormd wordt,… Niets van dat alles was te voorspellen op het ogenblik van mijn overstap.
Ik heb al lang afscheid genomen van de romantische (en gemakzuchtige?) idee van een ‘zweeppartij’
Deze tweede vraag laat mij evenwel toe om een tegenvraag te stellen: wat is er mis met het ambiëren van een schepenambt? In een lezing die ik een tijd geleden mocht geven, vergeleek ik het politieke gebeuren met de befaamde ‘Grot van Plato’. De gevangene in de grot ziet beelden op de rotswand en hij denkt dat dit de werkelijkheid is. Hij ziet echter alleen de schaduwen van voorwerpen die hij als dusdanig niet kan waarnemen. Ik vergeleek dit met doorsnee-burgers die zich een mening over het politieke gebeuren vormen op basis van wat ze zien in de plenaire vergaderingen van de parlementen en in de gemeenteraden. Op deze vergaderingen wordt echter alleen maar een ritueel opgevoerd waarbij gekende standpunten herhaald worden ten bate van de eigen achterban.
Achterkamers van de politiek
De werkelijke politieke besluitvorming speelt zich elders af, namelijk in een complexe, maar voor het publiek meestal niet zichtbare armworsteling binnen de eigen partij, binnen de meerderheid, tussen politiek en administratie,… Ik heb al lang afscheid genomen van de romantische (en gemakzuchtige?) idee van een ‘zweeppartij’, die met verkiezingsoverwinningen en scherpe interpellaties vanuit de oppositie het beleid zou kunnen bijsturen. Als je het ernstig meent, moet je ook proberen om een plek te veroveren aan de tafel waar de beslissingen worden genomen. Met het ambiëren van een schepenambt – of op nationaal niveau: een ministerportefeuille – is dus niets fouts.
Dat brengt ons meteen bij de laatste vraag van de heer Driessens: heb ik meer kunnen betekenen binnen de N-VA dan ik had gekund als boegbeeld van het VB? Die vraag kan ik alleen maar positief beantwoorden. Niet alles wat ik gedaan heb, was perfect; en wat ik gerealiseerd heb was enkel mogelijk door de steun van loyale medewerkers en partijgenoten. Het aanscherpen van het taalbeleid in Aalst, de strikte interpretatie van de neutraliteit, het wieden in de subsidies voor de linkiewinkies en hun projecten, het maximaal verwijderen van Belgische vlaggen uit het straatbeeld, de zorg voor ons erfgoed, de bouw van een nieuwe bibliotheek en zoveel meer, waren enkel mogelijk omdat ik deel uitmaakte van het college van burgemeester en schepenen.
Voor mij is een politieke partij geen afgesloten tempel of een kloostergemeenschap waar de getrouwen de zuivere boodschap koesteren tegen een boze buitenwereld. Een politieke partij is slechts een instrument. Burgers met grotendeels gelijklopende ideeën groeperen zich om dan samen strategische posities te verwerven van waaruit ze impact kunnen hebben op het beleid en dus op onze samenleving. Dat is mijn persoonlijke overtuiging. Niemand is vanzelfsprekend verplicht om deze overtuiging te delen. Ik heb vrienden bij beide Vlaams-nationale formaties en ook vrienden die zich tot geen enkele politieke partij bekennen. De gesprekken die ik met hen kan voeren over het einddoel en de weg erheen, zijn altijd weer interessant.






